De (on)verwachte herinnering
De zon schittert op het vochtige dek van de Asturias. Aan de Javakade in Amsterdam meert een transportschip aan met aan boord zo’n 1.100 Molukkers: oudgedienden van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) en hun gezinsleden. Onder hen de 30-jarige Maarten Frederik Maulany. Mijn opa. Dit jaar is het exact 75 jaar geleden dat hij met een hoofd vol verwachtingen voet zette op Nederlandse bodem.
“Selamat pagi mister!” Het is oktober 2025 als ik door de stoffige straten van Latuhalat loop, het geboortedorp van mijn opa. Om mij heen wemelt het van het groen, voorbijrazende ojek-ojek en felgekleurde vogels. De geur van gedroogde cenkeh en pala komt me tegemoet. Alleen al de lucht ruikt hier warm en dan heb ik het nog niet eens over de gastvrijheid. “Ale harus coba” roept mijn neef me toe, terwijl hij een halve kokosnoot in mijn handen drukt. “Coba, minum!” Ik haal de kokosnoot naar mijn mond en neem voorzichtig een slok. Het verse kokoswater is een welkome dorstlesser, want in dit tropische klimaat zweet ik harder dan ik drinken kan.
Als ik even later vanaf Bukit Paralayang uitkijk over de heuvels van Nusaniwe vraag ik me af wat er door mijn opa heen ging toen hij zich aanmeldde voor het KNIL. Welke beloftes werden hem gedaan? Welke verwachtingen had hij? En waarom hij wel en zijn broers Wim en Alex niet?
Een eeuwenlange houdgreep
Al voor de oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in 1602 had het Ambon manis al een onweerstaanbare aantrekkingskracht op de Nederlanders. De eilandengroep stond bekend om haar kruidnagel- en nootmuskaatteelt, wat Jan Pieterszoon Coen en zijn kompanen bovenmatig interessant vonden. Ze verjoegen de Portugezen, bouwden onder meer Benteng Amsterdam en moordden 14.000 Bandanezen uit om de macht over de eilanden te heroveren van de Engelsen.
Met de oprichting van de Bataafse Republiek in 1795 kwam er een einde aan de VOC. Maar niet aan Nederlands-Indië. Om de toenemende opstanden in De Oost het hoofd te bieden werd in 1814 het KNIL opgericht. Een tropisch vreemdelingenlegioen met in het begin veel Afrikaanse slaven, zogenoemde Orang Belanda Hitam, en in de eeuw erna loyale Ambonezen zoals mijn opa.
Zo geschiedde dat Maarten Frederik Maulany in zijn jonge jaren, net als veel van zijn generatiegenoten, de kant van de kolonisator koos. Hij werd gestationeerd op Java, bracht tijdens de Tweede Wereldoorlog een tijd door in een Jappenkamp en werd, na de onafhankelijkheid van Indonesië op dienstbevel naar Nederland verscheept. Na de uitroeping van de Republik Maluku Selatan op 25 april 1950 zat nieuwbakken president Soekarno niet te wachten op ervaren Molukse vechtersbazen in zijn land.
Ongelaten tranen
En dus meerde mijn opa op 16 mei 1951 als ontslagen korporaal aan in de haven van Amsterdam. Aan zijn zijde zijn vrouw Wilhelmina en paar maanden oude dochtertje. Wat volgde was een verhuizing naar de barakken in het Gelderse dorp Teuge. Koud, onwennig en onzeker: alsmaar wachtend op een terugkeer naar Ambon. Naar huis. De beloofde maanden werden jaren, Teuge werd Twello en wachten werd berusten. Berusten tot hij zijn laatste beetje verlangen op 26 oktober 2004 uitblies.
Nu ik zelf de leeftijd van mijn opa heb bereikt toen hij voor het eerst voet op Nederlandse bodem zette, spoken er steeds vaker vragen door mijn hoofd. Wat heeft hij meegemaakt in zijn tijd bij het KNIL? Wat ging er door hem heen toen hij te horen kreeg dat hij naar Nederland moest? En hoe voelde hij zich toen zijn verblijf in Nederland keer op keer werd verlengd? Het zijn vragen die nooit beantwoord werden. De antwoorden, die alleen hij kende, stopte hij onder de dikke huid die hij als soldaat had gekweekt en spoken nu onbevraagd door de hemel.
Reis door generaties
Het voelt onwerkelijk om te bedenken dat een jongeman van mijn leeftijd, twee generaties geleden, al was getekend door twee oorlogen, een detentie in een Jappenkamp en een gedwongen migratie naar de andere kant van de wereld. Met zoveel ogenschijnlijk leed kan ik niets anders dan het tonen van grenzeloos respect voor mijn opa en oma. Twee mensen die zich niet uit het veld lieten slaan en alles deden wat binnen hun macht lag om hun kinderen en kleinkinderen een hoopvolle toekomst te geven.
Een toekomst waar ik als kleinkind nu van mag genieten. Hoewel ik ben grootgebracht met kaas, er Nederlands bloed door mijn aderen stroomt en dit hele verhaal in het Nederlands is geschreven, ken ik onze geschiedenis. En het is nu aan ons, Molukkers van de derde, vierde en vijfde generaties, om onze gedeelde geschiedenis door te geven. Niet in het verzwijgen van onze pijn, maar in het delen van ons gevoel. Want het mag er zijn. Onze tranen mogen vloeien als de golven die werden bevaren.
De zon schemert zacht achter het wolkendek boven het mr. dr. Chris Soumokilplein in Twello. Op het pleintje naast stichting Lawa Mena herdenken ruim honderd Molukkers de aankomst van hun voorouders in Nederland. Onder hen ikzelf, de 31-jarige Rynaldo Koerhuis. Dit jaar is het exact 75 jaar na mijn opa dat ik met een hoofd vol herinneringen op Nederlandse bodem sta.

