Skip to main content

Strijdbaar Moluks

Tweede generatie Zuid-Molukkers vestigden in 1977 de aandacht op zich met een treinkaping bij De Punt. Hun wens: een onafhankelijke republiek der Zuid-Molukken. Reisjournalist Rynaldo Koerhuis onderzoekt, 75 jaar na de gedwongen migratie van zijn grootouders, de strijdlust van ‘zijn’ volk op Ambon, Haruku en Kei Kecil.  

“Open de weg, de witte stoet wil erdoor” galmt het door de straten. Vrouwen in kleurrijke wikkelrokken schreeuwen het uit. Hun hysterie overstemt het gedrum van de tifa. Honderden, in het wit geklede mannen, lopen met kapmessen over de stoffige dorpsweg. De sfeer is letterlijk en figuurlijk om te snijden. Met een verbeten blik in hun ogen verwonden de mannen zichzelf. Het bloed drupt over hun witte gewaden. Hoewel symbolisch, doet de Cakalele – een traditionele krijgersdans – de Molukse strijdlust hier op Haruku in volle glorie herleven.

Haruku vormt, samen met eilanden als Ambon, Ceram en Kei Kecil, de Zuid-Molukse provincie in Indonesië. Een provincie die rijk is aan specerijen en barst van de koloniale geschiedenis. Toen Nederland na de Tweede Wereldoorlog haar gezag over het gebied wilde herstellen, meldde mijn Ambonese opa zich aan voor het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Met trots vervulde hij de rol van korporaal tot hij in 1951, bij aankomst in Nederland, een ontslagbrief ontving. Zijn strijdlust was niet meer nodig. Indonesië was onafhankelijk.

Sierlijk geklede vrouwen aanschouwen aandachtig de Cakalele in het dorpje Pelauw op Haruku.

Stenen gooien

Al sinds mijn kinderjaren hoor ik van mijn Ambonese tantes dat Molukkers activistisch zijn. Een karaktereigenschap waar ik mezelf, als derde-generatie Molukker in Nederland, niet echt in herken. Ik stap de ‘Angkutan Kota’, de felgroene, plaatselijke stadsbus met open deur uit en overhandig de chauffeur een paar Rupiah. Voor mij staat, op een metershoog voetstuk, een kolossale Martha Christina Tiahahu. Met wapperende haren kijkt ze uit over Ambon-Stad. “Ze is een nationale held hier” zegt mijn neef Jeto (39) enthousiast. Met zijn pet achterstevoren pakt hij een steen uit de greppel en maakt een werpend gebaar. “Lempar batu” roept hij. Zijn ogen glinsteren van opwinding, alsof hij zich Martha’s gevecht tegen de kolonisten in 1817 nog levendig voor de geest haalt.

De jonge Martha kwam al vroeg in aanraking met de strijdlust van haar vader Paulus. Als weduwnaar rustte Martha’s opvoeding op zijn schouders en volgde zij overal waar hij ging. Zo geschiedde dat ze op 14 mei 1817 aandachtig luisterden naar de oppeppende woorden van Kapitan Pattimura, die op het punt stond om het gezag omver te werpen. Sinds de Britten de soevereiniteit over de Molukken had overgedragen aan de VOC sluimerde de onrust. Waar Pattimura – pseudoniem voor Thomas Matulessy – onder de Engelsen nog dienstdeed als sergeant-majoor, wimpelden de Nederlanders hem af. De maat was vol. Hij riep de bevolking op om in opstand te komen en trok, samen met Paulus en Martha Tiahahu ten strijde. Hoewel het ze lukte om Fort Beverwijk op het eiland Nusa Laut te bezetten, kon een arrestatie niet uitblijven. Paulus en Pattimura werden geëxecuteerd en Martha werd op het schip gezet naar Java, waar ze overleed en een zeemansgraf kreeg. Jeto: “Maar haar lef leeft altijd in ons voort!”

Verboden kleuren

De hemel kleurt roze en paars. Ik sta met Jeto en zijn zoontje op een stenen pier. De zon lijkt onder het eiland weg te zakken, terwijl de laatste vissers hun netten binnenhalen en naar de kust varen. “We zijn trots op je” glimlacht Jeto. Hij wijst naar een foto op mijn Instagram-pagina waarin ik, met een Molukse vlag als cape, over de finish ren tijdens de marathon van Rotterdam. “Die kleuren zijn hier verboden” zegt Jeto met een felle blik in zijn ogen. Hij pakt zijn telefoon erbij en laat me een T-shirt zien dat hij heeft ontworpen, waarin die verboden kleuren subtiel zijn verwerkt. De twinkeling in zijn ogen verraadt zijn gevoel. Ik geniet van zijn gedrevenheid, maar vertel hem maar niet dat ik er geen politieke drijfveren mee had, maar hem droeg als eerbetoon aan mijn moeder.

Als we een paar dagen later een foto schieten op de veerboot naar Ceram kijkt Jeto me fronsend aan. “Ik wil hier niet staan” zegt hij gepikeerd. Hij wijst naar de rood-witte vlag die wappert op het dek. Hoewel die kleuren overal in het straatbeeld te vinden zijn, voelt mijn neef er weinig voor. “Mena muria” fluistert hij. Zijn strijdkreet verwijst naar de op 25 april 1950 uitgeroepen Republik Maluku Selatan (RMS). Het Molukse antwoord op de Indonesische Proklamasi een paar maanden eerder. Jeto: “Wij zijn geen Indonesiërs”. Een uitspraak die mijn Molukse opa ongetwijfeld ook deed toen hij tussen 1945 en 1949 namens het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger tegen de Indonesische rebellengroepen vocht. Molukkers vochten voor de Nederlandse vlag, waren veelal Christelijk en voelden maar weinig voor de door Soekarno uitgeroepen eenheidsstaat. Toen Nederland door de Verenigde Naties werd gedwongen haar strijd te staken, werden de Molukse KNIL-soldaten en hun gezinnen in 1951 naar Nederland verscheept. Van Soekarno mochten ze niet terug naar Ambon. De Molukken zouden Indonesisch blijven.

De Jembatan Merah-Putih, de brug die de luchthaven van Ambon verbindt met Ambon-stad.

Sindsdien voert de overheid een pro-Indonesisch beleid, uiteenlopend van militaire onderdrukking in de jaren ’50 tot migratie van Javanen naar de Molukken. Op het hijsen van de Molukse vlag staat een jarenlange gevangenisstraf. Jeto vertelt me dat Indonesische soldaten geregeld huiszoekingen houden als ze vermoeden dat de bewoner een Molukse vlag bezit. “Laatst nog betrapten ze iemand die de vlag had verstopt in een vogelkooi” zegt hij. “toen de soldaat dat zag schoot hij de vogel dood.”  

Ik hang aan Jeto’s lippen. Waar de Molukse vierkleur in Nederland met trots wordt gehesen, is het hier letterlijk levensgevaarlijk. Hier is het geen symbool van saamhorigheid, maar een daad van terrorisme. Eén die met harde hand de kop wordt ingedrukt. Ik kijk nog eens naar het T-shirt op Jeto’s telefoon en glimlach ongemakkelijk. Hoe mooi ik zijn puberale opstandigheid ook vind, stiekem maak ik me best een beetje zorgen.

Nieuw soort activisme

De chaos en emotie die ik op Ambon ervaar, is iets zuidelijker, op het eiland Kei Kecil, in geen velden of wegen te bekennen. Hier vind je geen overdaad aan toeterende scooters en trottoirs vol afval, maar kilometerslange witte zandstranden en stilte. Althans op het eerste gezicht. “Met hetzelfde gemak waarmee zij een vis uit het water halen, gooien ze er plastic voor terug” zegt Daniël Kadmaer (40). Daniël is – net als ik – van Nederlands-Molukse komaf en is sinds kort naar Kei Kecil verhuisd, nadat hij jarenlang in Amsterdam als tattooartiest werkte. Hij spreekt op kalme toon, waarmee hij de indruk wekt de Nederlandse ratrace al van zich af te hebben geschud. “Dat Molukse activisme interesseert me niet zo. Ik houd me liever bezig met dingen die echt het verschil maken” zegt hij. Samen met lokale vrienden maakt hij wekelijks de stranden schoon. Een kleine moeite, al is het dweilen met de kraan open. Volgens Daniël zit afvalverwerking totaal niet ingebakken in de cultuur. “Daarin hoop ik mijn steentje bij te kunnen dragen.”

Wat Daniël van zijn vader niet meekreeg, ontdekt hij hier hardleers. Toen hij met zijn gezin aankwam in kampong Watngil dacht hij wel even een stuk grond te kunnen kopen. “Maar niets bleek minder waar” zegt hij lacherig. Het gewoonterecht – of de Adat – geldt hier boven de overheidswetten. In plaats van een simpele transactie, moest hij eerst toestemming krijgen van alle dorpsoudsten. Een tijdrovend proces waar hij zich bij moest neerleggen. Daniël: “voor iemand die het Nederlandse tempo gewend is kan dat heel frustrerend zijn.”

De geur van versgebakken bananen komt me tegemoet. Achter de bar staat Charlie, de kok van de accommodatie, driftig te wokken. De zon zakt in het water en kleurt de hemel oranje. “Nederlands oranje” zeg ik tegen Daniël, die het poederachtige zand van zijn voeten wrijft en plaatsneemt op de houten bank tegenover me. Hij ademt diep en doet nog, voor het avondmaal is geserveerd, een gedurfde uitspraak. “De Molukken is eigenlijk ook maar een kleine wereld.” Ik recht mijn rug en spits mijn oren. Daniël vertelt dat de Molukkers die hij heeft ontmoet veel waarde hechten aan hun omgangsvormen en die als wet beschouwen, terwijl het slechts een manier is om met elkaar om te gaan. Net als de Nederlandse manier. “Beide zijn stukjes van mij, maar bepalen niet uitsluitend wie ik ben” zegt hij met een weloverwogen blik in zijn ogen. “Ik leer mijn kinderen liever een goede wereldburger te zijn, dan om vast te houden aan de gewoontes van één cultuur.” Daniëls woorden vormen een schril contrast met Jeto’s stelligheid, die mij de Molukse gebruiken bijbrengt als wetmatigheden. Alsof dat de enige manier is. Maar is dat wel zo?

De ondergaande zon vanaf Pasir Panjang op het Molukse eiland Kei Kecil.

Indonesia Raya

“Graag een moment stilte voor het volkslied alstublieft.” Ik sta op het punt om mijn tas aan de vliegveldbeveiliger op Kei Kecil te overhandigen als hij me gebiedt te wachten. Ik doe een stap naar achteren en zie hoe de douanier zijn hand op zijn hart drukt en meezingt met ‘Indonesia Raya’, dat om stipt 10:00 uur uit de luidsprekers schalt. Een snelle zoekopdracht leert mij dat Kei Kecil de Zuid-Molukse onafhankelijkheidsbeweging nooit onvoorwaardelijk heeft gesteund. Hoewel beide Moluks, vochten er beduidend minder Keiezen dan Ambonezen aan Nederlandse zijde. Iets dat op het Katholieke Kei ongetwijfeld heeft bijgedragen aan minder rancune jegens de Indonesische staat. Ik kan me zo voorstellen dat de Ambonese roep om onafhankelijkheid als een ver-van-mijn-bedshow voelde op het geïsoleerde Kei.  

Als ik Jeto even later vertel over het moment op het vliegveld, reageert hij als door een malariamug gestoken: “Hier op Ambon doen we dat niet!” Hij fronst en steekt al rijdend zijn vuist in de lucht. Hij vertelt me dat de Indonesische overheid al decennia mensen in West-Indonesië stimuleert om hiernaartoe te verhuizen. Jeto: “Daarmee proberen ze onze culturele identiteit uit te wissen.” Terwijl we in rap tempo de toeterende scooterrijders passeren doemt de Jembatan Merah-Putih weer in ons gezichtsveld op. De rood-witte brug die sinds 2016 de sluiproute vormt tussen het vliegveld en Ambon-stad. De brug die de Ambonezen er dagelijks aan herinnert tot welk land zij behoren.

Ik neem de kleuren tot me en probeer de Molukse strijdlust te overzien. Toen ik drie jaar terug in Groningen een gedicht voordroeg op een Moluks cultureel evenement, kreeg ik de wind van voren. Eén van de sprekers na mij voelde zich beledigd toen ik de Molukse vlag symbolisch op het podium legde, zodat ik er in mijn voordracht naar kon verwijzen. “Mijn generatie heeft voor die vlag gevochten. Hoe jij ermee omgaat doet me pijn” zei mijn criticaster toen hij zelf op het podium stond. Een uitspraak die op geklap uit de zaal kon rekenen. Hardvochtig leerde ik dat een vlag niet op de grond hoort. Een herinnering die me, tezamen met Jeto’s passie, aan het denken zet. Leeft Martha’s lef ook voort in mij? Ik spreek geen Ambonees, voel weinig voor de Molukse vlag en heb geen kaas gegeten van het Molukse gewoonterecht. Maar ik heb als kind wel de Cakalele geleerd. En dát is mij al strijdlustig genoeg.

Een standbeeld van Kapitan Pattimura, de Molukse strijder die in de 19e eeuw vocht tegen het koloniale bewind.
Rynaldo

Rynaldo

juli 30, 2026