Wandelwinst #3: alles komt goed
Donkere wolken stapelen zich op boven het houten huis waarin ik me bevind. De heldere hemel van gisteren heeft plaatsgemaakt voor duisternis. Ik stap het bed van de afwezige huisgenoot van Seva uit en begeef me naar de studentikoze keuken van het pand. Mijn Wit-Russische gastheer bevindt zich overduidelijk nog in dromenland. Zijn kamerdeur is potdicht en op mijn lichte klop op het houten kozijn volgt geen reactie. Ik zet de waterkoker aan voor een kop thee en ijsbeer wat van de logeerkamer naar de keuken, terwijl ik de straat zie verworden tot een waterweg. Ik voel nattigheid.
Als de wereld stopt met draaien
Mijn houten overnachtingsplek is zeker honderd jaar oud, in tegenstelling tot haar huidige bewoners. Seva woont samen met zijn eveneens Wit-Russische huisgenoten die hun naburige thuisland zijn ontvlucht om in Kaunas te studeren. “Door hier te studeren ontvlucht ik de dienstplicht” vertelde Seva me gisteravond. De twintigjarige studeert Politiek en Economie en spreekt maar liefst vijf talen. Gisteravond vertelde de jonge student het ene na het andere indrukwekkende verhaal over zijn thuisland, zijn reizen en de politieke situatie in verschillende Europese landen. Seva bleef zo lang praten dat ik mijn ogen op een gegeven moment niet meer open kon houden.
Van uitslapen komt deze morgen echter niet veel terecht. Het is een uur of acht als grote regendruppels tegen de houten lambrisering van het huis tikken. Bij regen alleen blijft het niet, want de opkomende nazomerzon gaat gepaard met lichtflitsen van Zeus. Het voelt alsof de laatste dictator van Europa de verhalen van zijn onderdaan heeft gehoord en de weergoden op hem heeft afgestuurd. Nog steeds ijsberend door het huis, wachtend tot een van de bewoners ontwaakt, besluit ik Buienradar erbij te pakken. De witte vlakken die boven mijn locatie cirkelen beloven niet veel goeds. Ik leg m’n regenkleding vast klaar en besluit nog een keer op de deur van Seva te kloppen. De jongeling komt wat verdwaasd z’n bed uit en vraagt of ik er al vandoor ga. “Wil je niet eerst wat eten?” vraagt hij.
Ik besluit op het aanbod van mijn gastheer in te gaan, waardoor Seva zijn kans schoon ziet om zijn monoloog van gisteravond te vervolgen. Ik prop wat sneetjes brood met chorizo naar binnen en loop bij een moment van stilte de kamer uit om mezelf in m’n regenpak te hijsen. “Je ziet eruit als een bouwvakker in je regenpak” zegt Seva lacherig, wanneer ik met mijn wandelstokken richting de voordeur loop. Ik lach met de opmerking van mijn gastheer mee en stap de drempel over, de stromende regen in. Ik ben nog geen tien minuten onderweg of ik hoor weer gerommel. Het regent nu zo hard, dat het niet verstandig is om met dit weer door te lopen. Zelfs mét regenpak is onmogelijk om droog te blijven. Ik loop langs de serveerster van een koffietent die buiten onder het afdakje staat te roken en hang mijn natte regenjas over de barkruk voor het raam. Eerst maar even een bak koffie.
En je hart alleen maar bloedt
Als het een uur later weer droog is vervolg ik mijn weg naar mijn volgende bestemming. Wat die bestemming gaat worden weet ik nog niet, waar die zich ongeveer bevindt wel. Mijn plan is om – nu de lucht weer is opgeklaard – toch nog dertig kilometer af te leggen. Op wat vertraging in de ochtend na, loopt de rest van de dag voorspoedig. Ik loop langs een paleis op een heuvel, struin door de bossen en wandel langs akkers tot ik bij een heuvel ben aangekomen die uitzicht biedt over de omgeving. ‘Piepaliai Mound’ zegt het tweetalige bordje onderaan de heuvel. Ik bestijg de houten trap de heuvel op en laat m’n rugzak met een plof op de grond vallen. ‘Perfecte plek om te overnachten’ denk ik bij mezelf. Ik haal m’n tent van de tas af en begin gelijk met het opzetten van mijn mobiele woning. Met de tent beschut onder een eikenboom bestijg ik ook de laatste tien treden tot ik het hoogste punt van de heuvel heb bereikt. Ik schenk wat water in m’n Jetboil en breng het geheel aan de kook. Een knorrende maag zorgt ervoor dat zelfs instant pasta er als een vijfsterrenmaal uitziet. Als de grootste honger is gestild neem ik plaats op het gras en geniet ik van de roze wolken die door de lucht zweven.
Met de zon weer aan de andere kant van de planeet, kruip ik mijn waterafstotende slaapplaats in en controleer ik nog even snel het weerbericht voor morgen. Buienradar vertelt me dat er om vier uur ’s nachts 20% kans is op onweer. Dat heb ik vaker gehoord. Een maand geleden ben ik een dag langer in het hotel in Trzemeszno gebleven vanwege verwachte onweersbuien. Van dat onheil kwam uiteindelijk niets terecht. Ik gok het erop en val – met een lichte aanheuvelse wind – rustig in slaap.
Leg je hoofd maar op m’n schouder
Het licht op m’n telefoon geeft aan dat het half vier in de ochtend is. Iets heeft me uit mijn slaap gewekt. Door mijn tentdoek heen zie ik korte, lichte flitsen schijnen. Ik wrijf in m’n ogen en controleer of ik echt wakker ben. De flitsen zijn er nog steeds. Ik maak een lijstje in m’n hoofd en bedenk wat het zou kunnen zijn. ‘Geven de ogen van dieren licht in het donker?’ ‘Staat er iemand met een zaklamp naar mijn tent te schijnen?’ ‘Zijn het bliksemschichten?’ Vanwege het gebrek aan onweer besluit ik toch het zekere voor het onzeker te nemen en kruip ik m’n tent uit op zoek naar de lichtbron. Bovenop de heuvel zie ik de weergoden elkaar te lijf gaan met felle bliksemschichten die de hemel oplichten. Een vlaag van lichte paniek giert door m’n lijf. ‘Het is absoluut niet verstandig om tijdens een onweersbui bovenop een heuvel onder een boom te zijn’ denk ik. Ik citeer de passage over onweer dat ik in het handboek had gelezen dat ik van mijn oud-collega’s had gekregen voor vertrek. ‘Maak je bij een onweersbui zo klein mogelijk en blijf laag. Ga niet liggen, maar neem een squathouding aan’. De woorden dreunen door mijn hoofd. Ik rits mijn tent open, haal mijn regenpak en telefoon eruit en daal de heuvel af op zoek naar een schuilplaats. Volgens Google Maps is er om de hoek een vakantievilla. Op goed geluk struin ik in het duister over het landweggetje dat om de heuvel heenloopt. De weg is bezaaid met grote keien. Ik gebruik de zaklamp van m’n telefoon om mezelf te begeleiden tijdens deze gespannen tocht in Litouwen. Onderweg passeer ik een vervallen houten huis. De waakhond voor het huis, die veilig in een kooi op het erf verblijft, ontwaakt en begint naar me te blaffen. Dat klinkt niet heel uitnodigend. Ik besluit door te lopen naar de villa enkele meters verderop en hoop dat daar een mogelijkheid is om te schuilen.
De hemel is inmiddels losgebarsten. Zeus laat zijn waterreservoir met bakken uit de hemel vallen. Bijna gelijktijdig arriveer ik bij het donkergroene hek dat het vakantiepark omheind. Op het knipperende lampje van een beveiligingscamera na is er geen teken van leven te bekennen. Er staan geen auto’s op het terrein en in de dichtstbijzijnde villa brandt geen licht. Tijd om een andere schuilplaats te zoeken is er niet. Ik klim over het hek – dat gelukkig niet hoger is dan een meter – en loop langs de villa naar de overdekte veranda aan de achterzijde. Hoewel hout normaliter niet beschermt tegen bliksem, is dit de best beschikbare optie. Ik neem plaats op de rieten leunstoel die op de veranda staat en dommel weer in slaap, terwijl de onweersbui met ruw geweld over mijn hoofd raast.
Alles komt, alles komt, alles komt goed
Het is een uur of zes als ik opnieuw door opkomend licht uit mijn slaap wordt gewerkt. Dit keer is het licht niet afkomstig van de bliksem, maar van de zon. Mijn trouwe, warme vriend. Ik ben nog nooit zo blij geweest onze gigantische energiebron weer te zien en klim het hek weer over om terug te keren naar mijn tent. Eenmaal weer op de top van de heuvel zie ik dat zowel mijn tent, als de boom nog fier overeind staat. Ik trek m’n regenpak uit en kruip voor nog een paar uurtjes slaap m’n tent in. Het regent eindelijk weer zonnestralen.
