Wandelwinst #4: gastvrijheid
“Als je iets wilt, zweert heel het universum samen om het je te laten krijgen.” Ik klap mijn e-reader, met daarin het boek ‘De Alchemist’ van Paulo Coelho dicht en stop het apparaat weer in m’n tas. Hoewel het boek al in 1988 is verschenen, is het wereldwijd nog altijd immens populair. In het verhaal trekt een Spaanse schaapsherder door de Sahara om op zoek te gaan naar ‘zijn legende’, zijn levensmissie. Daarvoor moet hij echter wel zijn hart volgen en zijn comfortabele leven als schaapsherder opgeven. Hij besluit zijn schapen te verkopen en steekt de Straat van Gibraltar over naar Marokko. Bij de piramides in Egypte zou zijn schat verborgen liggen.
In de reflectie van de e-reader zie ik mijn ongeschoren gezicht. ‘Als ik straks in Litouwen ben, koop ik wel weer een scheermes’ denk ik bij mezelf. Ik rol m’n tentdoeken weer netjes op en verlaat de camping in Ełk om de weg naar mijn eigen verborgen schat te vervolgen. Net als de jongen in het boek, heb ook ik mijn comfortabele leven opgezegd om mijn hart te volgen. Alleen is mijn plan niet ontstaan na een terugkerende droom, maar na jarenlang dobben over de zin van het leven. ‘Het kan toch niet zo zijn dat we zijn geboren om ons hele leven achter een computer te zitten?’ dacht ik als ik voor de zoveelste keer in een Teams-vergadering zat waarin vooral werd geklaagd over collega’s die het beleid niet volgden.
Na een goede nacht stroomt de energie weer door m’n lichaam. Wat een verschil met gisteren, toen ik na een rusteloze nacht in het bos niet vooruit was te branden. Slapen en wandelen zijn als yin en yang onlosmakelijk met elkaar verbonden in mijn huidige leven. Net als eenzaamheid en sociaal contact. En geven en nemen. Het een bestaat niet zonder het ander.
Vanaf de camping aan het meer, leidt de route me via het dorpje Ełk door de bossen naast de gelijknamige rivier naar Kemping Konradówka. De zomerzon verwarmt m’n huid al vroeg, met de nodige zweetdruppels tot gevolg. Een man in een witte bestelbus drukt op z’n claxon en steekt z’n duim naar me op. Het zijn dit soort kleine dingen waar ik tijdens het wandelen veel geluk uit haal. Onverwachte begroetingen geuit in een taal zonder woorden. Een taal die een verbinding kan creëren tussen mensen, dieren en planten. Tussen alles wat leeft. Terwijl ik over een grindpad door uitgestrekte graanvelden loop, valt mijn blik op een woelmuis die zich doodstil op het pad voor me bevindt. Het kleine, harige diertje lijkt te zijn verstijfd van angst en beeft lichtjes, waaruit een teken van leven blijkt. Hoewel ik met mijn lichaamshouding probeer aan te geven dat ik geen kwaad in de zin heb, lijk ik geen verbinding met het knaagdier te kunnen maken. En geef hem eens ongelijk, vanuit zijn perspectief ben ik een reus die met één verkeerde stap een einde aan zijn leven kan maken. Dat zou ik ook niet vertrouwen als ik hem was.
Ik laat het diertje verder met rust en vervolg mijn weg naar Kukowo, een gehucht ten oosten van het Mazurisch Merenplateau. Aan de rand van het gehucht bevindt zich mijn slaapplek voor vanavond. Ik loop door de geplamuurde poort het campingterrein op en waan me zowaar in een andere wereld. Een wind van rust briest me zachtjes tegemoet, terwijl ik de laatste stappen van de dag afleg in de richting van de receptie. Het incheckgebouw is bedekt met klimplanten en ziet er erg uitnodigend uit. Toch zit de deur van het pand potdicht. Aan een bordje voor de deur schittert het telefoonnummer van Konrád, hoogstwaarschijnlijk de eigenaar van het complex. Ik tik het telefoonnummer in m’n telefoon en laat het toestel overgaan. ‘Hello’ hoor ik een man aan de andere kant van de lijn zeggen. ‘Hi, I just arrived at the campsite and I would like to stay here for one night if that is possible’ vertel ik. De man reageert enthousiast en vertelt dat ik overal mag staan waar ik wil. ‘Pick a spot wherever you want. I’ll see you later.’
Ik laat de receptie achter me en loop dieper het omvangrijke terrein op. Binnen de muren van het kampeerterrein bevindt zich een groot meer, bossen en meerdere appartementen en bungalows. Het geheel vormt een oase van rust. Terwijl ik mij een weg baan langs de appartementen, word ik door meerdere gasten vriendelijk begroet. Een wereld van verschil met de dorpjes buiten deze gemeenschap, waar mensen me eerder minutenlang nakijken dan begroeten. Dat nakijken heeft ertoe geleid dat ik steeds meer naar Litouwen verlang, het volgende land op de route. Ik voel me een vreemdeling in een land dat in de tussentijd niet meer zo vreemd voor me is. Toch lukt het me niet om aan de stugheid van de Poolse cultuur te wennen. De mensen houden liever hun lippen stijf op elkaar en lachen zo min mogelijk. Je wilt immers niet als zwakbegaafd worden gezien.
Nog voordat ik een goed plekje heb weten te bemachtigen zie ik een man op een witte, elektrische scooter mijn kant op komen. In tegenstelling tot veel andere Polen die ik onderweg heb gezien, lacht deze man wel. Zijn lichaamshouding straalt kalmte en vriendelijkheid uit. Hij brengt zijn scooter tot stilstand en geeft me een ferme handdruk. ‘Hi, I’m Konrád’ zegt de man. Hij beantwoordt mijn vraag of ik hem net aan de lijn had bevestigend en vraagt of ik ben komen lopen. ‘Yes, I’m already walking for 3,5 months now. I started in Utrecht, in The Netherlands, and I’ll keep on walking until I’ve reached Helsinki.’ De ogen van de eigenaar beginnen te glunderen bij het horen van mijn verhaal. ‘That’s amazing. I also like to walk a lot’ vertelt hij. ‘I’ve walked 3.500 kilometers through Poland, but not at once, but spread over three years. I finished my trip just before Covid.’ Terwijl Konrád verder vertelt en de nodige vragen op me afvuurt, laat hij me het terrein zien dat hij 27 jaar geleden heeft gekocht. ‘We’ve created the lake and planted all the trees ourselves. When we bought this piece of land, it was all empty.’ Ik zet mijn spullen op de grond bij een geschikte kampeerplek langs het water en volg Konrád, die me uitnodigt om de wijnkelder te bezoeken. ‘You have to try our homemade apple and blueberry wine. De koele, betegelde ruimte onder de grond staat vol met wijnvaten, potten appelmoes, augurken, sauzen en lege flessen die wachten om gevuld te worden. Ik pak het glas aan dat Konrád voor me heeft ingeschonken en sip het rustig leeg. ‘You don’t look Dutch’ zegt Konrád, die met deze opmerking op verkapte wijze mijn afkomst probeert te raden. ‘Do you have something Indonesian?’ De wilde gok van mijn gesprekspartner tovert een lach op m’n gezicht. ‘You are the first foreigner to guess it correctly’ zeg ik op complimenteuze wijze. ‘Most foreigners think that I’m from South-America, Italy or Spain.’ Konrád legt me uit dat hij al meerdere keren in Indonesië en in Nederland is geweest en op de hoogte is van de Nederlandse koloniale geschiedenis. ‘That’s why I thought that you’d have something Indonesian.’
Als ik ook mijn tweede glas wijn heb geconsumeerd en ik de alcohol naar mijn hoofd voel stromen, volg ik Konrád weer naar boven, waar de nog altijd felle zon weer aangenaam voelt na een kwartier in de kelder te hebben doorgebracht. ‘You know what. I have a bungalow available which isn’t booked for tonight. If you want to, you can stay there for free. Many people have helped my along the way when I walked through Poland and now I want to do something in return for a fellow hiker. Your story really gives me goosebumps. I’ll show you the bungalow and then you can decide what you want.’ Een vlaag van enthousiasme jaagt door m’n lichaam. Hoor ik dit nu goed? Krijg ik nu zowaar een gratis slaapplek aangeboden? Ik sta versteld. En dat nog wel op de dag dat ik de magische grens van 2.000 gelopen kilometers heb aangetikt. Ik volg de eigenaar naar de rand van het terrein en zie een klein kerkje opdoemen in mijn gezichtsveld. ‘It looks like a church’ zeg ik. ‘Yes, it’s a chapel’ antwoordt hij. Konrád steekt de gietijzeren sleutel in het slot en opent de deur van de kapel. De kleine, zevenhoekige ruimte is voorzien van vele glas-in-loodramen die de ruimte omtoveren tot een kleurrijke walhalla. In het midden van de kamer staat een tweepersoons slaapbank, vergezeld door een koelkast, een bureau en een stoel. Kortom, alles wat een mens nodig heeft. ‘What do you think?’ vraagt Konrád me. Zonder aarzeling ga ik op de uitnodiging in. Dit is nog mooier dan ik me had voorgesteld.
Na mezelf met een warme douche te hebben beloond, keer ik met een voldaan gevoel terug naar de kapel. De ondergaande zon creëert een nieuw perspectief van licht in de sacrale ruimte waarin ik me bevind, alsof er een kleurrijk toneelspel wordt opgevoerd. Als de zon na verloop van tijd achter de coulissen is verdwenen gris ik mijn e-reader uit mijn tas om mijn weg door de bladzijdes van ‘De Alchemist’ te vervolgen. Mijn blik valt op de pagina waar ik vanmorgen ben geëindigd. De pagina waarin de herder de koning van Salem ontmoet, die hem van wijze raad voorziet. Raad die –na mijn ontmoeting met Konrád– aan mij leek te zijn gericht, alsof ik zelf onderdeel uitmaakte van het verhaal. “De ziel van de wereld wordt gevoed door het geluk der mensen. Of door verdriet, afgunst, jaloezie. Je eigen legende waarmaken is de enige verplichting van de mens. Alles is één. En als je iets wilt, zweert heel het universum samen om het je te laten krijgen.” Dat iets is onbaatzuchtige gastvrijheid. Gastvrijheid om nooit meer te vergeten.




