Wandelwinst #5: voelen

“Lonely, I’m Mr. Lonely. I have nobody for my own.” De hoge stem van Bobby Vinton galmt nog altijd nostalgisch door mijn hoofd. Toen Akon het nummer in 2005 uitbracht, was ik letterlijk een tiener. Ik zat in groep 7 van de basisschool, speelde in mijn vrije tijd FIFA ’04 op de PlayStation 2 en had geen flauw benul welke emoties zich allemaal in mijn lichaam huisvestten. Hooguit wist ik wat het Engelse woord ‘lonely’ betekende. Dat alleen zijn ook gepaard kan gaan met eenzaamheid, is iets wat ik jaren later pas zou ondervinden.

Het is 25 juni 2023, mijn tweede dag in Polen. Vooralsnog voelt alles hier vreemd voor mij aan. De taal, de gastvrijheid, de spraakzaamheid. Waar menig Duitser mijn pad kruiste met een vriendelijke ‘moin’ of ‘hallo’, lijkt de Poolse buitenmens vooralsnog minder gulzig met woorden te strooien. Over woorden gesproken. Van de letters die hier op de gevels pronken is voor een Nederlander als ik weinig kaas te maken. Als ik dagelijks m’n tong zou moeten breken aan woorden als ‘dziewiętnaście’, ‘szczęśliwy’ en ‘Włocławek’, dan zou ik er ook voor kiezen om m’n mond dicht te houden. Met het bouwen van een brug over de Oder, is niet meteen een brug geslagen tussen de Germaanse en de Slavische cultuur. De Slavische voelt voor mij vooralsnog als een brug te ver. Ik voel me hier vreemd, alleen en daardoor stiekem toch ook wel een beetje eenzaam. “I have nobody for my own.”

Ik laat het stukje groenstrook waar ik afgelopen nacht heb gekampeerd achter me en zet de eerste stap voor een nieuwe wandeldag door Pierogi en Wodkaland. Terwijl ik de telefoon naar het thuisfront laat overgaan, word ik op grimmige wijze verwelkomd door meerdere waakhonden die op het geblaf van de buurhond reageren door zelf nog harder te blaffen. En te grommen. Niet bepaald een warm welkom in het eerste dorpje op mijn route. Het geblaf brengt een schrikreactie in mij teweeg en maakt dat ik zenuwachtig de omgeving inspecteer om te zien of alle hekken wel goed op slot zitten. Als ik ergens geen zin in heb, dan is het wel een Rottweiler in m’n kuit.

Naarmate ik verder weg loop van de waakhonden en hun minder waakzame baasjes, begeef ik me langzamerhand weer in de stiltecoupé van de natuur. Hier geen onrust stokende viervoeters, maar tjilpende vogels en knisperende bladeren rondom een altaar van heilige maagd Maria. Hier daalt m’n hartslag weer tot gezonde variabelen en neemt m’n alertheid af. Ik voel me weer veilig en ontspannen. Toch is dat gevoel slechts van korte duur, want als ik enkele kilometers verderop op het punt sta om na een bliksembezoek aan de supermarkt weer verder te lopen, word ik geroepen. Een oude man met ontbloot bovenlichaam trekt, vanuit zijn tuin, mijn aandacht. Ik loop zijn kant op en merk dat de man een taal spreekt die ik niet vaardig ben. “I don’t speak Polish, do you speak English?” vraag ik hem met een vertwijfelde blik. “Nie, tylko po polsku i rosyjsku.” Uit de woorden die de man over zijn tong laat rollen maak ik op dat hij alleen Pools en Russisch spreekt. In gebarentaal probeer ik de man uit te leggen dat ik een wandeltocht maak en vanaf hier verder Polen in trek. Mijn intenties lijken de man niet te deren, want met een luidruchtige ‘nie’ wijst hij achtereenvolgens naar voorbij rijdende auto’s en naar het westen, de richting op waar ik net vandaan kom. Ik laat woorden vallen als ‘Holland’, ‘hike’ en ‘Finland’ om de man duidelijk te maken wat ik aan het doen ben, maar zonder succes. De man raakt geïrriteerd van mijn onnozelheid en lijkt me erop te wijzen dat ik zo snel mogelijk met de auto het land weer moet verlaten. Als ik naar het oosten wijs, wijst hij met gefronste wenkbrauwen naar het westen. Naar Duitsland, het land weer uit. De onbegrijpelijke pogingen van de man me het land uit te sturen maken me ongemakkelijk. Ik vertel hem -dit maal in het Nederlands- dat ik ervandoor ga en doe hem de groeten. Ik draai me om, loop een klein stukje naar het westen tot ik het zebrapad heb bereikt en steek daarna de weg over, verder naar het oosten. Verder het binnenland van Polen in.

Een rood-wit-blauwe vlag symboliseert het eindpunt van mijn wandeldag. Midden in het voor mij onbekende Poolse landschap is een Nederlandse familiecamping gehuisvest. Ik loop onder de vertrouwde vlag door het terrein op en vraag in het Nederlands of ik er een nachtje mag kamperen. “Je bent de tweede” zegt een vrouw met grijs, vlassig haar die onderuitgezakt op de veranda bij de receptie zit. “Tweede?” vraag ik verbouwereerd. “Ja, ben je ook uit Nederland komen wandelen? Drie jaar geleden heb ik hier twee studenten gehad, die vanuit Leiden zijn komen lopen.” Ik neem plaats in de stoel tegenover de vrouw die met een sterk Pools accent spreekt en observeer het sportshirt van Max Verstappen dat ze draagt. “Ik ben Tanja” zegt ze, terwijl ze een stukje vloeipapier vult met tabak. Ze schenkt een glas cola voor me in en vertelt me dat ze de camping af en toe beheert. “Willem, een vriend van ons, heeft deze camping 23 jaar geleden opgericht. Twee jaar geleden is hij helaas overleden en heeft hij deze camping nagelaten aan zijn vijf kinderen. Van april tot september is er altijd wel iemand te vinden. Ook mijn man en ik waren hier regelmatig. Helaas is mijn man nu ook niet meer onder ons.” Het verhaal van Tanja grijpt me aan. Al vanaf de eerste seconde deelt ze haar levensverhaal met me, wat ertoe leidt dat ik me voor het eerst in dit land echt thuis voel. De woorden van Tanja geven me energie, al kan het ook komen doordat ze haar verhaal doet in mijn moedertaal. “Was hij ziek?” vraag ik voorzichtig, hopend dat ik geen oud zeer oprakel. Tanja steekt de inmiddels gevulde sigaret aan en vertelt verder. “Nee, maar hij was 79, dan kan het zomaar ineens over zijn. Roel [haar man] was een groot fan van Max Verstappen. Als er een race was bleven we altijd thuis. Als iemand tijdens een race een verjaardag had gepland, dan kwamen we niet of gingen we later. Op 28 april om 15:00 was de kwalificatie voor de Grand Prix van Azerbeidzjan. Roel had net ViaPlay aangezet op de laptop. Ik stond twee meter achter hem nog even thee te zetten, toen Roel me om 14:55 riep “Tanja, de race gaat beginnen, kom je?” Ik draai me om, loop naar de bank en zie hem daar liggen. Ik dacht ‘wat doe jij nou, slaap je?’ maar hij was weg. De ambulance heeft hem nog anderhalf uur geprobeerd te reanimeren, maar het mocht niet meer baten. Het is moeilijk voor me, maar hij was de laatste drie weken enorm gelukkig, dus dat stelt me gerust. Toen we begin april vanuit Nederland hier naartoe reden nam hij maar één keer pauze. Normaal nemen we altijd twee keer pauze, maar Roel zei “ik voel me zo goed, ik rij gelijk door”. Ik denk dat hij hier heel graag heen wilde en dat het zo moest zijn. We hebben de familie vanuit Nederland hierheen laten komen, afscheid genomen en hem hier gecremeerd. Zijn as hebben we op een later moment naar Nederland gebracht.”

Tanja’s persoonlijke verhaal raakt me enorm. Ik voel me verbonden en zie het verdriet in haar ogen als ze haar zegje doet. Ze houdt zich enorm sterk en lijkt de dood van haar man met een gezonde portie relativering te accepteren. “Ik vind het trouwens geweldig dat je dit doet. Deze wandeltocht. Je weet immers maar nooit wanneer het te laat is” zegt Tanja vol trots. “Ik wil je iets laten zien.” Tanja loopt naar binnen en komt terug met een schetsboek vol kleurrijke tekeningen. Iedere schets bestaat uit willekeurige lijnen die zijn omgevormd tot kleurrijke vlakken. Ik blader door het boekje en zie hetzelfde patroon op bijna elke schets terugkomen, maar dan net anders. “Het heet neurographica” zegt Tanja. “Ik ben er een halfjaar geleden mee begonnen, nadat ik er een filmpje over had gezien op YouTube. Het werkt zo: je maakt een intentie van wat je tijdens de dag zou willen bereiken en laat vervolgens je onderbewustzijn spreken. Je schetst een losse, willekeurige lijn en begint daarna alle hoeken om te vormen tot rondingen. Uiteindelijk krijg je cirkels en andere patronen die je inkleurt met de kleuren die je op dat moment voelt nodig te hebben. Ik heb een keer als intentie gesteld dat mijn broer weer met mijn moeder zou praten na een jarenlange ruzie en nadat ik die schets had gemaakt gebeurde het nog echt ook.” Tanja kijkt emotioneel terwijl ze dit vertelt. In haar blauwe ogen schuilt het verdriet van een gebroken familie en hoop voor welwillendheid om te veranderen. “Op de dag dat Roel overleed heb ik deze gemaakt.” Tanja pakt het schetsboek van tafel en bladert naar de tekening die ze wil laten zien. “Kijk, deze is heel anders dan de rest. Hier zitten geen cirkels in en ik gebruik veel zwart. Ik gebruik normaal nooit zwart. Het lijkt alsof mijn onderbewustzijn al vermoedde dat het ging gebeuren.” Ik kijk naar de schets en zie een soort celmembraan met zwarte tussenstukken. De ‘cellen’ zijn ingekleurd met rood en blauw. “Toen hij na 40 dagen weg was heb ik deze gemaakt.” Tanja bladert opnieuw door het boekje en laat me een schets zien met een grote cirkel in het midden met daarin de letter ‘R’ van Roel. Alle vakken eromheen zijn blauw gekleurd. “Blauw was de favoriete kleur van Roel. In ons geloof is de 40e dag na iemands overlijden een moment om bij stil te staan, dan gaat de geest namelijk echt naar de hemel.”

Het verhaal van Tanja raakt me wederom. Ik zie een vrouw van in de 70 die duidelijk weet wat ze voelt en haar gevoelens met haar gasten wil delen. Ze maakt verbinding met haar emoties en laat anderen zich op die manier thuis voelen. Iets dat haar goed lukt, want na twee dagen eenzaam zwerven door een vreemd land, beschik ik nu weer over een goede dosis geluk, energie en verbondenheid om mijn wandelavontuur voort te zetten. Zowel negatieve, als positieve gevoelens horen erbij als je lange tijd alleen bent, maar juist op die momenten moet je blijven geloven dat elke dag een onvergetelijke ontmoeting voor je in petto kan hebben. Een geloof waar je voelsprieten voor kweekt, juist op die momenten dat je ‘lonely’ bent.


Rynaldo

Rynaldo

maart 17, 2026